In de serie Getuigenissen kwamen de volgende deeltjes uit.
1 Selly Andriesse
2 Judith van Geens
3 Kerstmis in Unterriexingen
4 Kurt Thomas
5 Stanislaw Szmajzner
6 Dorohucza
7 De lange schaduw van Sobibor
Bij vragen over een publicatie klik hier.
De lange schaduw van Sobibor
Als deel 7 in de serie Getuigenissen, uitgegeven door de Stichting Sobibor, verscheen in december 2008 het boekje De lange schaduw van Sobibor. Het verhaal van Marion, geschreven door Janneke de Moei. Een fascinerend boekje met een uitstekende titel.
Marion van Straten is geboren in een Joods gezin in Amsterdam in 1942 en zij wordt door haar ouders in het voorjaar van 1943 afgestaan om onder te duiken. Zij komt terecht in een gastvrij gezin in Naaldwijk, groeit daar op, gaat naar school, wordt gereformeerd opgevoed, trouwt en krijgt kinderen … Hoe zo, lange schaduw? Maar toch, heet ze nu Van ’t Riet of Van Straten? Wie is ze eigenlijk en wat is haar ‘echte’ achtergrond?
Het boekje maakt duidelijk dat ook baby’s, die gescheiden worden van hun ouders, trauma’s oplopen, die hen hun hele leven kunnen achtervolgen. Stukje bij beetje ontstaan bij Marion beelden van een verleden, waar zij deel van uitmaakte, maar waarvan ze geen idee heeft. Haar ‘echte’ ouders zijn op 4 juni 1943 vergast in Sobibor…
uit: januari-editie van Historie Gesignaleerd; auteur Cees van der Kooij
Dorohucza
Deel 6 in de serie Getuigenissen
Dorohucza is een klein dorp in Oost-Polen, ongeveer halverwege de plaatsen Lublin en Chelm. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was daar aan de rivier de Wierprz een klein concentratiekamp ontstaan waar gemiddeld driehonderd Poolse en tweehonderd Joden uit Nederland op de turfvelden moesten werken. Uit ten minste acht transporten uit Westerbork werden in het vernietigingskamp Sobibor circa tachtig jongemannen – en af en toe ook vrouwen – uitgekozen om in Do-rohucza op de turfvelden te werken. Het kamp werd begin maart 1943 in gebruik genomen. Velen stierven daar na enkele weken aan ondervoeding of uitputting, of werden later tijdens de Aktion Erntefest begin november 1943 in Trawniki vermoord. Twee Nederlandse mannen en de auteur konden als typografen, samen met twintig collega-drukkers uit Warschau, eind juni 1943 dit kamp der verdoemden verlaten, om vervolgens nog in nog andere Poolse en Duitse kampen te moeten werken.
Deel vijf uit de serie Getuigenissen: Stanislaw Szmajzner

foto gemaakt in 1983 in Hagen door Bert Nienhuis
Stanislaw Szmajzner werd op 30 maart 1927 in het Poolse Puławy aan de Weichsel geboren, waar voor de Tweede Wereldoorlog ongeveer vierduizend Joden een aanzienlijk deel van de bevolking uitmaakten. Het stadje, dat door de Joden ook wel sjatl werd genoemd, ligt in het district Lublin, halverwege de weg van Lublin naar Radom. Smajzners ouders waren leden van de orthodox-Joodse gemeente. Stanislaw bezocht de Tarbutschool, een onderwijsinstelling waar ook Hebreeuws werd onderwezen. Thuis werd voornamelijk Jiddisch gesproken. Tezelfdertijd kreeg hij van een vriend onderricht in het vak van goudsmid, omdat hij daarin meer geïnteresseerd was dan in de werkzaamheden van zijn vader Josef, die hem liever naar het gymnasium had zien gaan. Zijn vader was eigenaar van een paar fruitwinkels in de stad. Lees verder »
Kurt Ticho; overlevende van Sobibor
Inleiding

Kurt Thomas (Kurt Ticho)
Deze vierde uitgave in de serie Getuigenissen is gewijd aan Kurt Ticho, een Tsjechische overlevende van het vernietigingskamp Sobibor. Op de dag van de heroïsche opstand die op 14 oktober 1943 onder de Arbeitsjuden plaatsvond kreeg hij van de kleine groep van ingewijden, het zogeheten Ondergrondse Comité, een taak toebedeeld, die paste in de voorbereidingen die tot de opstand hebben geleid. De Stichting Sobibor heeft uit de 47 overlevenden van deze opstand Kurt Ticho bereid gevonden om binnen de beperkte ruimte die deze reeks biedt, aan zijn wederwaardigheden in beknopte vorm bekendheid te geven. Hij was één van de weinigen die als 28jarige in Sobibor ouder was dan vele anderen. Als gymnasiast had hij een gedegen opleiding genoten en heeft al direct na de oorlog uitvoerige berichten geschreven over zijn tocht naar – en zijn aanwezigheid in – Sobibor. De rechters in het Sobiborproces in de Duitse stad Hagen vonden hem een betrouwbare getuige, ‘omdat hij alleen wilde getuigen over gebeurtenissen, waarvan hij uit eigen ervaring kennis droeg.’
Het eerste bericht van tien kantjes schreef hij op 3 september 1946 aan het Nederlandse Rode Kruis als een hommage aan zijn in Sobibor tijdens de opstand omgekomen vriendin Minny Kats uit Haarlem. In 1948 emigreerde hij naar de Verenigde Staten van Amerika en werd in 1953 Amerikaans staatsburger. Daar veranderde hij zijn achternaam Ticho in Thomas. Onder de naam Ticho schreef hij enige jaren geleden een in het Engels nog uit te geven boek, waarin hij gedetailleerd ingaat op zijn belevenissen. Lees verder »
Kerstmis in Unterriexingen
Deel 3 van de serie Getuigenissen door Jules Schelvis
Dertien jaar geleden, in 1992, wilden mijn vrouw Jo en ik op een mooie zomerse dag tijdens een vakantie in Duitsland, ons eens rustig de tijd nemen het voormalige concentratiekamp Unterriexingen en zijn omgeving, niet ver van Stuttgart, te verkennen. Zij wilde weten wat voor werk ik in 1944 daar gedurende vijf maanden heb gedaan. Voorbij Bietigheim stopte ik de auto bij de brug over de Enz, een zijrivier van de Main. Van daar liepen we de weg omhoog naar het dorp Großsachsenheim. Op de plaats waar ik enige tijd op een vliegveld had moeten werken genoten wij nu van het golvende landschap. Een enkele keer groetten fietsers ons met een kort Grüss Gott. Teruggekeerd bij de brug liepen we in oostelijke richting langs de rivier. Links van de weg groeiden druiven in etagebouw langs de berghellingen. Tot honderden meters diep in de berg heb ik daar met tientallen andere gevangenen in de stollen, zoals wij de onderaardse gangen noemden, gewerkt. Deze waren bedoeld om vliegtuigen van het nabijgelegen Großsachsenheim, via liften in de stollen tegen bombardementen te parkeren. Het werk werd, de oorlog liep ten einde, nooit voltooid.
Met moeite kon ik nog één van beide overwoekerde ingangen herkennen. We gingen op een bank aan de oever van de rivier zitten, aten een boterham terwijl ik Jo uitvoerig vertelde wat ik in en om de stollen, de voor werk heb gedaan. Aan een paar oude wijnboeren uit de omgeving vroeg ik of zij van het bestaan en het doel daarvan wisten. Ze haalden hun schouders op. ‘Stollen, hier in de berg? Nooit van gehoord.’ We liepen terug naar de brug en reden vervolgens naar het dorpje Unterriexingen. Na een paar honderd meter zagen wij de eerste huizen en boerderijen. Het was middag geworden. De inwoners van het dorp, in de oorlog telde het zeshonderd zielen, deden een slaapje, want op een paar kinderen na was er verder niemand te zien; de winkels waren gesloten.
Even voor we het dorp verlieten kruisten we een straat, de Liebefrauenweg. Een paar honderd meter hogerop ligt daar in de verte de Liebefrauenkirche. Lees verder »
Ik ben er voor in de plaats gekomen
Deel 2 van de serie Getuigenissen opgetekend door Janneke de Moei
Judith van Geens
*Amsterdam 8 januari 1943
†Sobibor 11 juni 1943

De Liebefrauenkirche in Unterriexingen
Toen op 5 september 1999 in Vught het gedenkteken voor de weggevoerde joodse kinderen werd onthuld, kon Judith Waterman daarbij niet aanwezig zijn, tot haar teleurstelling èn opluchting. Een goede vriend was wèl gegaan en had foto’s genomen van het monument. “Ik heb iets bijzonders voor je” zei hij, “de naam van je zusje staat op het monument”. Lees verder »
Verslag van een pelgrimage naar Sobibor
Deel 1 van de serie Getuigenissen door Toon van Kalmthout.
Selly Friedel Andriesse
* Gennep 1 juli 1932
† Sobibor 11 juni 1943.
Tijdens Wereldoorlog II reisde ik iedere dag van mijn woonplaats Gennep naar Nijmegen, waar ik school ging. Vaak maakten we die reis met een stoomtrammetje. Het was gewoonte dat een bepaalde coupé van het trammetje gereserveerd was voor de schoolgaande jeugd, het zo genaamde hokje. Het hokje bood plaats aan zes personen, maar vaak zaten we er met een veel groter aantal. Gedurende een bepaalde tijd in 1942/43 was ook een klein meisje, genaamd Selly, een mede-passagiere van het hokje. Zij was 10 jaar, de lagere school te Gennep was voor haar verboden terrein, omdat ze jodin was. Ze moest naar Nijmegen, naar de zgn. Judenschule. Ze was mooi, had een lief gezichtje; ik herinner me ook nog haar pijpenkrulletjes, daar trok ik wel eens aan, om haar een beetje te plagen. Toch kan ik me haar niet meer scherp voor de geest halen: het is net of ik door een bewasemde ruit of naar een onscherpe foto kijk. Ze zei niet veel en misschien interpreteer ik achteraf door te zeggen de indruk te hebben, dat ze bij ons, “grotere” jongens van 14 jaar, bescherming zocht.
Op een dag was ze er niet meer. Lees verder »
Nederlands
English
polski

